Eind januari 1945, nu 75 jaar geleden, bevrijdden Sovjetsoldaten de hoofdkampen van het concentratiekampcomplex Auschwitz Birkenau. Het was het grootste vernietigingskamp van nazi-Duitsland. Verschillende wereldleiders waren vorige maand ter plaatse voor de herdenking van de verschrikkelijke holocaust. Meer dan 40.000 mensen stierven in het concentratiekamp, onder andere door ontbering, dwangarbeid of medische experimenten.

In 1992 gaf Taptoe een door Marc Van Hulle (toen hoofdredacteur) geschreven, beklijvend boek uit vol levensechte verhalen en interviews van de 14 laatste “Meetjeslandse getuigen” die werden bevrijd uit deze kampen.
Een (aller)laatste overlevende die in het boek zijn pijnlijk verhaal vertelde, is Julien Van Den Driessche, vader van Eeklose schepen Ann, inmiddels 95.
Het kan geen kwaad om telkens opnieuw deze bezwarende getuigenissen voor het collectief geheugen herop te roepen. Daarom hierna het (ingekorte) verhaal van Julien nog eens opnieuw, 28 jaar geleden opgetekend en ongewijzigd in dat verleden herverteld.

“Vandaag herinner ik me nog alles alsof het gisteren was. Ik voel de schrik nog, de afstomping, ik zie nog altijd de levende skeletten strompelen, ik ruik nog het crematorium, de dood. En ik zie ook nog altijd mijn kapot geslagen broer Michel liggen, in barak 22 van het vernietigingskamp Flossenbürg. Michel werd tot bloedens toe geslagen en geschopt omdat hij - uitgehongerd - wat koffiegruis had opgeraapt. Ik ben hem daags voor zijn overlijden nog eventjes gaan bezoeken en ik herkende hem haast niet meer: zijn gezicht was opgezwollen, bebloed en onherkenbaar verminkt. Ik was graag bij mijn broer gebleven, maar ik werd de barak uitgeschopt. Voor Michel en voor alle andere kameraden die het terreur van de concentratiekampen meemaakten en niet overleefden, vertel ik mijn verhaal, hoeveel moeite en tranen het me ook kost. Wij zijn effectief “de laatste getuigen”, na ons is er niemand meer om de gruwel voort te vertellen.”

Treinkolonne
Julien Van Den Driessche was amper 18 jaar toen hij in de vroege ochtend op 26 januari 1943 in het ouderlijk huis in Nieuwendorpe (Eeklo) uit het bed werd gelicht door de Gestapo en de Duitse Sicherheitsdienst (SD).
“Nog diezelfde dag werden we overgebracht naar de “Nieuwe Wandeling” in Gent, waar ons vaak hardhandige ondervragingen te wachten stonden. We hadden natuurlijk niet het minste besef van wat ons te wachten stond toen we maanden later met een treinkolonne uit het station van Schaarbeek naar het station van Papenburg tegen de Duits-Nederlandse grens vertrokken.” Daar werd de groep op vrachtwagens gejaagd en doorheen het onmetelijke moerasland naar het strafkamp Esterwegen gebracht, een voorlopig onderkomen, want van daaruit werd men later naar andere, nog gruwelijker oorden gebracht.
Het kamp van Esterwegen werd al in 1933 gebruikt om tegenstanders van het nazi-regime onder te brengen. De gevangenen werden gebruikt om de moerassen in de buurt van Papenburg droog te leggen. In Esterwegen werd een onderscheid gemaakt tussen veroordeelden en zij die nog niet voor het gerecht waren verschenen. De ter dood veroordeelden vertrokken vanuit Esterwegen ondermeer naar Wolfenbüttel om er onthoofd te worden. De anderen gingen naar concentratiekampen of andere gevangenissen.
De groep van Julien Van Den Driessche vertrok op 13 maart 1944 vanuit Esterwegen naar een strafgevangenis in Bayreuth, waar men haast een jaar zou verblijven.
“Het regime in Bayreuth was streng, maar niet onmenselijk,” zegt Julien. “De bewakers waren ook geen militairen, maar burgers. Ik werkte in de schoenmakerij, maar in plaats van schoenen, moest ik er rugzakken herstellen die van het Oostfront beschadigd terugkwamen. En liefst zo “schnell” mogelijk, want anders werd de gummiknuppel gebruikt ! Mijn celgenoten in Bayreuth waren Julien De Keyser uit Sint-Laureins, Raymond Leers uit Ronsele, Frans Van Hulle en commissaris Jozef Verhoeye uit Eeklo.”

Vernietigingskamp
Op 8 maart 1945 vertrok Julien vanuit de gevangenis in Bayreuth naar het vernietigingskamp Flossenbürg, waar hij uiteindelijk slechts 6 weken verbleef, want de bevrijding was nakend. Die 6 weken in het kamp aan de Duits-Tsjechische grens, volstonden evenwel om Julien levenslang te tekenen en met nachtmerries te achtervolgen.
In Flossenbürg werden de gevangenen alle menselijke waardigheden ontnomen. “De SS-beesten zijn erin geslaagd ons daar op die paar weken tot dierlijke wrakken te maken,  door de ellende en onmenselijkheid van honger, dorst, luizen, schurft en ziekten.”
In het dorpje Flossenbürg, nabij de Tsjechische grens, was in 1938 op bevel van Himmler een concentratiekamp gebouwd, het vierde in de rij na Dachau, Buchenwald en Sachsenhausen.
De gevangenen van Flossenbürg waren ondergebracht in 16 lange houten barakken, in een door dubbele prikkeldraad omgeven kamp. Het kamp had een terechtstellingsplaats, een barak waar medische experimenten werden uitgevoerd en een crematorium. Er was een aparte barak waar de vrouwen werden verzameld bij wie de legerofficieren zich konden uitleven en er was een barak waar kinderen tot 18 jaar verbleven, ten prooi aan homoseksuele officieren in ruil voor een stuk brood of een lepel soep...
Het kamp was oorspronkelijk voorzien voor 1.600 gevangenen, later aangepast voor 3.000. In totaal werden echter 111.400 gevangenen opgenomen, waarvan er bij het eind van de oorlog zeker “officieel” 73.296 gestorven zijn, waaronder 1.653 Belgen.

Gevangene 86412
Flossenbürg was inderdaad een totaal ander regime dan datgene wat Julien en zijn Meetjeslandse makkers tot dusver hadden meegemaakt. Dat bleek al bij aankomst in het kamp, die namiddag van de achtste maart 1945.
“Vanuit de wachttorens van het kamp waren machinegeweren op ons gericht, we werden in kolonne gehouden door niets ontziende SS’ers met bloedhonden en met striemende zwepen. Als dieren werden we naar de badkelder gedreven waar we naakt afwisselend met koud en heet water werden bespoten. Wie uit het bad probeerde weg te kruipen, werd er hardhandig terug ingeschopt. Na verloop van tijd kleurde het water rood van het bloed ... “ . Kledij en persoonlijke bezittingen werden afgenomen, de tondeuses deden hun werk, verwijderden elk sprietje lichaamshaar en de gevangenen kregen een gestreept gevangeniskostuum met rode driehoek en een “B” met een nummer: van dan af bestond Julien Van Den Driessche niet meer, maar was hij gewoon “gevangene 86.412”. Het kampnummer werd op de linker onderarm getatoeëerd.
In de veel te vol gepropte barakken tierden luizen en ziekten welig en na iedere nacht moesten lijken van gestorven kameraden opnieuw buiten gesleept worden. “Het toilet was een stok boven een open beerput: wie zijn behoefte moest doen en van flauwte zijn evenwicht verloor, viel in de put en verstikte er in de uitwerpselen. Op den duur zagen we beneden in de put niks dan lijken, ongelooflijk, maar toen beseften we nog niet dat we er wel aan zouden wennen ...”

Thee-gruis
Vele gevangenen uit Flossenbürg werden dagelijks naar de steengroeve gebracht om er in een moordend tempo, zonder uitrusting en compleet ondervoed, 12 uur ononderbroken tunnels te kappen. Velen zijn hier door de onmenselijke omstandigheden of door de willekeur van de bewakers om het leven gekomen.
“Door toedoen van Louis Camu uit Eeklo kon ik, net als Armand Verstraete uit Maldegem, uit die steengroeve wegblijven. Wij werden als techniekers tewerkgesteld in de fabriekshallen waar Messerschmitt vliegtuigen werden vervaardigd. Ook dat was hard werken in ondankbare omstandigheden, maar de lijdensweg van de steengroeve bleef ons gelukkig bespaard.”
Wat Julien niet bespaard bleef, was het overlijden van zijn broer Michel. Die had, ten einde raad en uitgehongerd, wat gruis van de dagelijkse bladerthee uit een bidon opgeraapt om het op te eten, maar was daarbij betrapt geworden. De daaropvolgende lichamelijke toetakeling werd de jonge Eeklose bakker uit de Raverschootstraat fataal: hij overleed op 7 april 1945, een paar uur nadat Julien van bij zijn sterfbed was weggeschopt. Julien heeft het nog steeds moeilijk als hij aan die pijnlijke momenten terugdenkt.
“Net voor we naar de fabriekshallen voor ons dagelijks werk vertrokken, was ik even uit de barak weggeslopen om mijn gewonde en stervende broer in de andere barak te bezoeken. Maar ik werd er ontdekt en toen men mij buiten joeg, zag ik net de kamphekkens achter de kolonne die naar de fabriekshallen trok, dichtgaan. Ik was te laat, werd opgepakt en als werkweigeraar naar de kampcommandant gebracht. Daar werd ik op “de bok” gebonden en kreeg ik 25 stokslagen op mijn rug. Ik verloor mijn bewustzijn, nadien hoorde ik dat 2 van mijn vrienden op datzelfde moment waren doodgeslagen.”

Opgejaagd
Net voor de bevrijding van het concentratiekamp werden de gevangenen gedwongen te voet naar andere nog niet bevrijde concentratiekampen te marcheren. De uiteindelijke bedoeling van die marsen was de volledige liquidatie van de overlevenden. Op die manier zouden alle sporen uitgewist worden. Dergelijke marsen kregen de toepasselijke naam dodenmarsen. Julien, Armand en nog enkele anderen maakten deel uit van de vierde kolonne van zowat 5.000 gevangenen die op 20 april 1945 het kamp van Flossenbürg verliet, in de gutsende regen en barre kou en met onbekende bestemming. “Langs de weg zagen we links en rechts allemaal kampkleren liggen. Althans, dat dachten we, want bij nader toezien bleek dat het mede-gevangenen waren die zomaar waren afgemaakt. De Duitsers voelden dat het einde naderde, dat het kamp moest ontruimd worden en dat ze hun taak om gevangenen verder uit te roeien, haastig moesten verderzetten.”
De desolate stoet sleepte zich door het Beierse landschap voort, opgejaagd door SS’ers en Hongaarse soldaten, die op hun beurt door naderende geallieerde troepen werden achterna gezeten.
Er was nauwelijks tijd om te rusten, laat staan om te eten. Een handvol rogge, gekregen bij de start, was hun enige voedsel. Zelfs gras eten was verboden en werd zonodig met een kolfslag bestraft. “Wie strompelde en viel, kreeg onverbiddelijk een kogel door het hoofd. De weg lag snel vol met lijken, er klonk gevloek, gehuil en gekerm alom. We gaven mekaar een arm ter ondersteuning, maar praten ging niet meer, want bij ieder woord voelden we weer wat kracht uit ons lichaam verdwijnen. Even heb ik kort een aanzet gedaan om uit de rangen weg te springen en me onder een brug te verstoppen, maar ik kon gelukkig tijdig mijn voornemen terugdringen. De mensen die toen wèl trachtten te ontsnappen, werden voor onze ogen afgemaakt.”

Dodenmars naar vrijheid
Na 3 dagen en zowat 120 kilometer dodenmars konden Julien en zijn nog overlevende kameraden in een sparrenbosje uitrusten.
“Ik was teneinde, compleet kapot en uitgehongerd. Ik denk niet dat ik het nog een dag langer zou hebben uitgehouden. Maar dat was gelukkig ook niet meer nodig, want net op het moment dat de Duitsers ons weer wilden verder jagen, werden ze door Amerikaanse soldaten onder vuur genomen. We beseften onmiddellijk dat het voorbij was, want terwijl we ons aan de sparren rechttrokken, sloegen we huilend onze armen om mekaar.  De tanks rolden korte tijd later langs ons heen, het was alsof de aarde openbrak.”
“Na een poos durfden we het bos verlaten en trokken we naar een tegenoverliggende boerderij,” gaat Julien verder. “Daar hebben we voor het eerst in dagen weer wat gegeten, maar toen ik dat eerste stuk aardappel binnenslikte, voelde ik het zo doorheen mijn lichaam zakken, zodat ik het bijna onmiddellijk weer uitscheidde. Veel mensen hebben zich in die periode letterlijk dood gegeten. Nadien slopen we naar de schuur van de boerderij, waar op de dorsvloer honderden levenden en doden op en naast mekaar lagen. We zijn over de mensenmassa heen gekropen om achteraan een veilige slaapplaats te zoeken. Want, vergeet niet, we waren wel bevrijd, maar we zaten nog steeds midden in Duitsland. Toen ons kort nadien werd gevraagd om ons aan te melden in het verzamelcentrum in Cham, weigerde ik daarop in te gaan. Armand is wel naar daar vertrokken, maar ik had gezworen dat geen enkele Duitser nog een poort achter mij dicht zou trekken ... “

Groeten
De wegen van Julien en Armand Verstraete scheidden zich net voor het dorpje Roding, waar Julien en enkele makkers 12 dagen in een voormalige SS­woning verbleven.
“Daar hebben we gegeten en vooral goed geslapen,” herinnert Julien zich. “Het was jaren geleden dat we nog een bed gezien hadden en ik moest de dekens van me afwerpen, omdat ik dacht dat ze me zouden verstikken. Toen we ons wasten, schrokken we van onszelf in de spiegel. We zagen er net als spoken uit, ik heb die spiegel meteen in stukken gesmeten.” Raymond Leers, de boerenzoon uit Ronsele, werd ziek in Roding en men haalde hem op om hem ook naar het opvangcentrum in Cham te voeren. Een paar dagen nadien is Raymond gestorven. Julien Van Den Driessche bleef in Roding achter en hoorde dat er in het kloostertje van het dorp nog een jongen van Eeklo lag. Julien ging hem opzoeken en trof er zijn oude schoolkameraad Robert De Taeye aan. Hij lag er, na een harde doortocht in de zoutmijnen van Silezië, op sterven. En hij besefte het: “Doe veel groeten aan mijn moeder en familie,” vroeg hij Julien. Diens belofte moet hem gerust gesteld hebben, want daags nadien is Robert bezweken.

Trein fluit onverwachts
Vanuit Roding gaf Julien ook een brief mee aan een Engelse krijgsgevangene, die dit schrijven later vanuit Engeland naar Eeklo stuurde, maar het kwam pas na de thuiskomst van Julien aan. “Met welk overgroot geluk kom ik u snel een brief te schrijven,” luidde de aanvang van de op 1 mei 1945 inderhaast neergekrabbelde brief, “om u te laten weten dat ik hier gezond ben en in goede welstand, wel mager, maar ik heb het toch zo ver gekregen om mijn vel en benen te behouden. Van mijn liefste broer Michel weet ik niet waar hij is”, loog Julien om zijn ouders de ware toedracht en het vreselijke einde van zijn broer nog te sparen.
Op 10 mei 1945 verliet Julien Roding en werd per vrachtwagen naar het station van Nürnberg gevoerd. Daar werd hij met honderden anderen op een bomvolle trein gepropt, een trein die door de beschadigingen aan de spoorweg na 1 uur rijden telkens meerdere uren stilstond. Ondertussen sprong men dan uit de wagons om in de dorpen voedsel te zoeken.
“Ik was echter zodanig door mijn krachten, dat ik in de trein bleef wachten tot mijn kameraden terugkwamen,” herinnert Julien zich. ”Maar toen de trein, net voor Frankfurt, opnieuw stilviel, porde men mij aan om ook eens op zoek te gaan. Ik strompelde voorzichtig langs de spoortalud naar beneden tot ik in een dorpje kwam. Plots hoorde ik daar onverwachts het vertreksein van onze trein fluiten ! Maar ik kon amper gaan, laat staan lopen. Toch liet ik alles vallen en met ieder greintje macht dat ik in mijn lichaam nog had liep ik opnieuw de talud naar de spoorlijn op. Maar ik haalde het niet, ik zag de trein in de verte voortrijden. Ik liet me op mijn knieën tussen de rails vallen en huilde lange tijd van pure onmacht, zo dicht bij mijn terugkeer naar huis...”

Deurhengsel
Met de moed der wanhoop strompelde Julien verder naar een bocht in de spoorlijn om daar te wachten op een volgende trein. Die kwam eraan, moest vertragen in de bocht en Julien trachtte zich vlug vast te grijpen. “Ik viel een eerste keer op mijn knieën op de spoorbielden,  kroop opnieuw recht en sprong een tweede keer. Ik kon me nog net aan een deurhengsel vastgrijpen. Opeens hoorde ik iemand roepen: “Julien, niet loslaten !”. Het waren Marcel Dumez en André Dehaemers die uit de vorige trein waren gesprongen om mij te komen zoeken ... “
Een totaal uitgeputte Julien Van Den Driessche werd in Neuenkirchen in het hospitaal achtergelaten, waar hij met zijn 35 kg enkele dagen tussen leven en dood zweefde. Uit pure angst om niet weer in Duitsland vastgehouden te kunnen worden, ontsnapte hij nadien uit het ziekenhuis en belandde eind mei in het Franse Saint-Avold (Saargebied) van waar hij op de trein naar Doornik, en dus naar thuis in Eeklo werd gezet.

Terug
4 jaar later, in 1949, eigenlijk veel vroeger dan hij aanvankelijk had gedacht, is Julien met familieleden van overleden politieke gevangenen nog eens naar Flossenbürg en Bayreuth teruggekeerd. “Ik had nochtans gezworen dat ik nooit meer zou teruggaan,” zegt hij nu, “en toen ik daar aankwam durfde ik haast niet uit het busje komen.”
De ellende van de concentratiekampen heeft Julien Van Den Driessche voor het leven getekend. De kapotgeslagen rug is nooit meer goed gekomen en al in 1974 moest hij op nog geen 50-jarige leeftijd zijn fietsenhandel stopzetten. Ook de nachtmerries over de kampverschrikkingen bleven hem achtervolgen. Nog steeds gaat geen week voorbij of hij kent een onrustige nacht. Als therapie tegen deze angstaanjagende dromen trok hij met enkele vrienden 50 jaar na zijn bevrijding (1975) andermaal naar Duitsland om met de wagen het volledige traject van 26 januari 1943 tot 2 juni 1945 over te doen. Opnieuw reed men naar Esterwegen, Bayreuth, Flossenbürg. Opnieuw volgde men het traject van Juliens dodenmars. En opnieuw kwamen alle nare herinneringen tot leven. Julien maakte van die reis een film waarmee hij jarenlang naar scholen en verenigingen trok. En elke keer opnieuw reet de film oude wonden open, elke keer opnieuw zag Julien af van de vertoning. Maar hij hield deze getuigenis jarenlang vol.

(Julien en zijn echtgenote Yvonne (94) genieten vandaag (2020) nog in goede gezondheid van hun oude dag in woonzorgcentrum Avondzegen, Moeie, 37, Eeklo. Ze krijgen ter afwisseling geregeld bezoek van hun 3 kinderen, 7 kleinkinderen en 11 achterkleinkinderen. Yvonne is nog zo goed van geest dat ze bijna alle gsm-nummers van haar kinderen en kleinkinderen van buiten kent… )

Piet De Baets