Zestig jaar geleden, in de jaren vijftig, werd schier elke nacht in de donkere streek op de grens met Nederland geprobeerd om met vaak supersnelle, maar zwaar gepantserde Amerikaanse wagens, honderden tot duizenden kilo’s boter per rit bij nacht naar België over te brengen. Er bestonden nog slagbomen aan de afgesloten grenzen en de boter was in Holland veel goedkoper dan in België. Er werden sluipwegen gebruikt. Douaniers (in het milieu ‘commiezen’ genoemd) probeerden de smokkel met alle middelen te verhinderen. Het kwam nog net niet tot een openlijke oorlog tussen de twee partijen, maar vaak werd wel omgebouwd oorlogstuig gebruikt. En soms vielen ook al eens (dodelijke) slachtoffers…

Kat-en-muisspel
“Toch is het een wonder dat er maar zo weinig slachtoffers zijn gevallen”, beseft Roman Hemelsoet (82) uit Sas-van-Gent, destijds de onbetwiste “smokkelkoning” genoemd. Een vedette in het milieu. Duizenden kilo’s boter bracht hij stiekem ons land binnen. Toen was een kilo boter tot 40 frank (nu 1 euro) goedkoper in Nederland. 250 kilo smokkelwaar bracht, eenmaal veilig over de grens, al snel een 200 € op.
Rijk is Hemelsoet er echter niet van geworden, want hij liep een paar keer serieus tegen de lamp. Maar aan zijn kat- en muisspel met de douaniers hield hij wel een pak verhalen over, nooit eerder verteld. Hierna het boeiend relaas van een jeugdige waaghals, toen amper twintig.

Steeds driester
Geef een mens een grens en een product dat aan de ene kant duurder is dan aan de andere, en er ontstaat een smokkelaar. In de jaren vijftig deed de botersmokkel zijn intrede. Vrouwen maakten aanvankelijk speciale onderkledij, waarin boter kon verstopt worden. Douaniers vonden er snel iets op: al te forsgebouwde vrouwmensen werden een tijdje in een lokaal gezet naast een gloeiende kachel. Na verloop van tijd vormde zich onder de zwetende smokkelaarster een boterplas als onomstotelijk bewijs… Boeren probeerden het in volle oogstperiode wel eens met boter, weggestopt tussen en onder het hoog gestapelde hooi van de hooiwagen. Maar dan liepen ze wel het risico dat douaniers met lange scherpe stokken lukraak enkele malen dwars door de hooischelf staken, en vrij snel de smokkelwaar ontdekten… Veelal met resultaat.
In 1958 werden alleen al in het Meetjesland 45.000 kilo boter, 68 auto’s, 28 fietsen en 6 rubberboten in beslag genomen.
Maar naarmate de winst per kilo boter bleef stijgen, gingen beroepssmokkelaars steeds driester te werk en schakelden ze omgebouwde gepantserde tankwagens in, om duizenden kilo’s tegelijk de grens over te brengen. Als er maar genoeg mee te verdienen valt, zijn mensen bereid om meer risico’s te nemen. En gaan ze inventief te werk. Met vooraan gemonteerde ‘sneeuwruimers’ werden opgeworpen wegversperringen opzij geduwd. Op de duur waren het echte ‘tanks’ waaruit molotovcocktails en kraaienpoten werden gegooid om douaniers op afstand te houden.

Douaniers
De gezworen vijanden van de smokkelaars waren de ‘commiezen’ of douaniers. Ze hadden er belang bij dat de smokkel bleef duren, want ze kregen tien percent van de waarde van de geconfisqueerde smokkelwaar als premie. De wedde van een douanier was in die tijd geen vetpot. Mede daarom waren ze er tevreden mee dat een smokkelaar zijn waar liet vallen en vluchtte. Ze lieten hem lopen. Want stopten ze hem in de cel, dan viel er de eerstvolgende maanden niks meer te verdienen aan die man.
In de grensstreek werd de smokkel niet gezien als iets illegaals maar meer als een gedurfd gokspel. Velen waren bij de smokkel betrokken als co-chauffeur, op de uitkijk, als handelaar of voor tijdelijke opslag in hun schuren.
Smokkelaars hebben het graag over fairplay. Maar onderling waren het niet bepaald grote vrienden. De grote jongens durfden de douaniers al eens tippen dat er op een bepaalde plaats een collega de grens zou overgaan met een paar honderd kilo. Een mooi opgezette list. Terwijl de douaniers daar op afgingen, kon de tipgever zelf met zijn eigen lading zijn gang gaan… En was de concurrent nog bovenop zijn smokkelwaar kwijt ook.

De absolute smokkelkoning
Roman Hemelsoet stond destijds model voor de professionele smokkelaar. Eerst op kleine schaal met een motorfiets van zo’n 40 kilo, tot hij op de spekgladde polderwegen meer viel dan overeind bleef. Daarna reed hij voor rekening van de grote smokkelaars. “Maar onder de passagierszetel nam ik 40 kilo mee voor eigen rekening”, knipoogt hij.
“Zo’n ritje leverde telkens 2.000 tot 2.500 frank op (50 à 60 euro). Bruto weliswaar. Want je moet daar de aanschaf van zo’n wagen aftrekken”,  rekent  Hemelsoet ons even voor. “Verder heb je brandstof nodig, een bijrijder en mensen die op de uitkijk staan voor naderende douaniers. Je moest toch al een 5-tal ritten doen, voor je je investering terugverdiende”.
Maar heel snel begon hij voor eigen rekening.  “Een spannende bedoening. Steeds was het opletten voor patrouillerende douane. En die hadden vooral oog voor zware Amerikaanse wagens. Sommige commiezen konden zelfs in burger opduiken.” Dat er af en toe een smokkelaar werd gepakt, was niet eens zo slecht. “Dan werd de markt minder overspoeld met gesmokkelde boter. Anders zou de prijs dalen, slecht voor ons. Daarom werd wel eens geklikt…”

Nieuwe anti-versperring
Hemelsoet: “De smokkel gebeurde vooral met zware Amerikaanse wagens, zoals Chrysler, Oldsmobile, Cadillac. Die waren vlak na de oorlog ons land ingevoerd, omdat er nauwelijks Europese autoproductie was. Het waren stille 8 cilinders met veel pk’s, waardoor we douaniers makkelijk voor bleven, maar je kon er terzelfdertijd honderden kilo’s boter ineens in kwijt.”
Hemelsoet was niet alleen een begenadigd chauffeur, hij was ook een gedreven ontwerper van sterke smokkelwagens.
“Na een tijdje kreeg ook de douane zware wagens ter beschikking. Ik was toen klant bij de Ford-garage in Gent en wist dat daar ook de dienstwagens van de douaniers werden onderhouden. Op een dag zag ik daar een douanewagen staan met zo’n ‘Harrison’ in, een nieuw soort versperring van aan elkaar gelaste poutrels, die de douaniers over de weg legden. Reed je daar over, dan was je oliecarter en besturing aan flarden. In ruil voor 500 frank (12 €) liet de Gentse meestergast mij zo’n Harrison meenemen naar huis. Ik maakte er een na, en experimenteerde ermee in een schuur. Het was de kunst om er een neutralisator voor uit te vinden. Uiteindelijk kwam ik uit bij een soort sneeuwruimer met de punt naar voren. Wanneer ik die op precies 18 cm van de grond monteerde, schoof die zo’n Harrison-kruisversperring opzij. Je had het gezicht van die douaniers moeten zien, toen hun Harrisons met een luide klap meters ver in het veld vlogen”, lacht Hemelsoet.

Rookpotten en andere middelen
Een andere belangrijke innovatie waren rookpotten.  “Die kostten 25 gulden (11 €) het stuk en bleven tien minuten lang een dikke rook verspreiden, waardoor je geen hand voor je ogen meer zag (lacht). Nog later kwamen er zelfs molotovcocktails aan te pas.  “Maar dat was eerder om hen te doen schrikken”, stelt Hemelsoet ons gerust.
Het bleef een constante race om elkaar de loef af te steken, waarin de smokkelaars altijd voor liepen op het officieel gezag. Om trucks te doen stoppen werd door douaniers onder meer de spijkerplank gebruikt die voor de wielen van de aanstormende smokkelauto werd gegooid. Smokkelaars gingen hierop met massieve ‘volle’ banden gaan rijden. Daarmee haalden ook de kraaienpoten van de douaniers niks uit. Er werden zelfs halftracks ingezet: wagens uit WOII, met vooraan volle banden en achteraan rupsbanden…
’s Nachts werd toen soms aan 120 km per uur met gedoofde autolichten over de polderdijken gevlamd, een levensgevaarlijke job.

Achtervolging langs kanaal
Hemelsoet: “Eén spectaculaire rit zal ik nooit vergeten. Toen ik op een dag met een lading boter richting Gent reed langs het kanaal Gent-Terneuzen doken plots enkele douaniers op. Ik stopte en zag hoe ze op mij toekwamen. Ik zette mijn Ford Thunderbird in achteruit en gaf vol gas, gooide het stuur om en ging er pijlsnel vandoor, richting Zelzate. De douaniers snelden naar hun Dodge Pioneer en zetten de achtervolging in. Ik zag hen in de achteruitspiegel zienderogen naderen: ze hadden niet alleen een veel krachtiger wagen, maar de mijne was ook zwaargeladen, vol boter. We raasden tegen 140 tot 180 kilometer per uur langs het kanaal. Op dat moment kwamen de arbeidersploegen uit de fabrieken. Luid toeterend en volop met de lichten knipperend stoven we er voorbij. Het is een wonder dat daar geen gewonden of doden vielen. Maar zo kon ik de douaniers uiteindelijk afschudden.“

Kat en muis
Van sommige “erfvijanden” krijgt Hemelsoet nog steeds een kerstkaart. Dit is zo typerend voor de dubbelzinnige verhouding tussen de smokkelaars en de douaniers van toen.
“Eigenlijk konden we het best met elkaar vinden. Ooit werd ik gepakt maar liet de douanier mij gaan. De lading boter was ik kwijt, maar ik kreeg veel later als uitleg dat dit gewoon onderdeel was van het spel. De man kwam na zijn loopbaan in de streek wonen. Hij sprong hier soms bij mij binnen als hij bloemen ging halen en ik ging bij hem thuis. Een groot en fideel man: hij heeft er veel van de onzen gepakt. Ik ben nog naar zijn begrafenis geweest. Hij is te vroeg moeten gaan”.

Avontuur en adrenaline
Hemelsoet bleef smokkelen tot het bittere einde. “Ik bleef als enige rijden, ook toen het nog amper 5 frank (12 eurocent) bruto per kilo opleverde. Maar op het einde van de jaren zestig viel de smokkelwedloop stil, mede door de wegvallende grenzen in de Europese unie. Het sop was de kool niet meer waard.
“Ach, voor het geld heb ik het nooit gedaan, dat gesmokkel. Waarom dan wel? Zin in avontuur zeker? En voor de adrenaline: de ‘kick’ als het weer eens was gelukt. Als je bang was, kon je beter douanier worden, maar geen smokkelaar”.

Piet De Baets