In de nacht van dinsdag 10 op woensdag 11 april 1934 werden 84 jaar geleden twee panelen van Het Lam Gods gestolen uit de St. Baafskathedraal te Gent: dat van St. Jan De Doper en dat van de Rechtvaardige Rechters.

De diefstal werd nooit volledig opgehelderd en ging als de bekendste kunstroof in België de geschiedenis in. In een vorige aflevering vertelden we al dat één van de twee panelen door de dief werd teruggegeven (via een depot in het Noordstation) om te bewijzen dat hij ook het andere deel in bezit had. Hij vroeg hiervoor een losprijs. De zaak werd door het Bisdom in handen gegeven van de gerechtelijke politie. Met gecodeerde zoekertjes in dagbladen werd met de dief (die zich DUA noemde) correspondeerd’. Na de teruggave van het paneel St. Jan De Doper werd afgesproken bij een pastoor in Antwerpen die als bemiddelaar zou optreden. Er lag bij hem een pakje klaar met het losgeld dat zou afgehaald worden door iemand in het bezit van een dagbladknipsel. Het andere knipsel was in handen van de pastoor en de twee moesten in elkaar passen vooraleer het pakje mocht meegegeven worden. De pastoor verschoot als niet de dief zelf maar een taxichauffeur aanbelde met het goede knipsel. Hij gaf het pakje met geld dus mee en zag nog nipt dat de chauffeur het in zijn wagen overhandigde aan een wat verscholen passagier achteraan. Deze deed het pakje vol verwachting open maar verschoot zichtbaar van de inhoud.

Frustratie
De onbekende passagier in de taxi was danig verrast. Wat betekende dit? Slechts 25.000 frank (620 €)?
De afspraak was toch één miljoen (25.000 €) ?
Zijn ogen gleden verder over een ingesloten begeleidende brief:  “… geld nog niet volledig ter beschikking…later nog 225.000 frank...te nemen of te laten….zullen niets ondernemen om u op te sporen”.
De man liep rood aan van ingehouden woede. Hij die zo spitsvondig en handig het ganse zaakje tot in de perfectie had gepland en voorbereid? Haha, men zou hem bij de neus nemen…!?
Hij deed de taxichauffeur stoppen, betaalde en stapte uit. Vernietigde de dader in de uren of dagen erna uit frustratie het paneel?

Ontgoocheld
De politie wachtte gespannen af of er nog een teken van leven zou komen. Commissaris Luysterborgh die het onderzoek leidde, besefte zeer goed dat hij grof spel aan het spelen was.
Op 19 juni bereikte een nieuwe brief het bisdom. D.U.A herstelde dus zelf het contact. Had hij besloten het spel tot het bittere einde verder te spelen? Via een krantenbericht op 21 juni bevestigde het bisdom (eigenlijk de politie) dat men niet meer wilde afwijken van wat men laatst had voorgesteld: 250.000 frank in plaats van 1 miljoen.
Pas 14 dagen spannende dagen later reageerde D.U.A. opnieuw. Tot begin oktober zouden er nadien in totaal nog zes brieven aankomen op het bisdom. De epistels werden steeds langer en zwaarder op de hand. Het leek er wel op alsof de dader de ontgoocheling voor het niet inwilligen van zijn eisen van zich wilde afschrijven. Nu eens klonk het dreigend, dan weer eerder smekend. De geschiedenis wil dat het bisdom nog even overwoog om het geld toch te betalen, maar dat de wereldlijke overheid dit niet wilde uit gevaar voor het scheppen van  precedenten.
Wat er ook van zij, op 1 oktober 1934, vijf en halve maand na de stoutmoedige diefstal, postte D.U.A. zijn laatste brief. Daarin heeft de dader het over een “point mort” dat bereikt is. Daarna blijft het stil. Er zullen geen D.U.A.-brieven meer volgen... Eén der panelen was slechts terecht.

Sterfbed
We verplaatsen ons naar eind december 1934, acht maanden na de diefstal ondertussen, en bijna drie maand nadat D.U.A. nog een teken van leven gaf. Commissaris Luysterborgh hoort van de procureur dat er mogelijk een nieuw spoor naar de vermoedelijke dader van de diefstal van Het Lam Gods zou zijn. De euforie wordt echter meteen getemperd. De man is inmiddels overleden.
Het zou gaan om een zekere Arsène Goedertier uit Wetteren. De man vervulde een tijdje de functie van koster in zijn parochie en werkte als zelfstandig wisselagent. De dood kwam voor Goedertier waarschijnlijk even tragisch als onverwacht. Op een politieke bijeenkomst zakte de man plots ineen. Goedertier bleek stervende. In zijn laatste ogenblikken wou hij aan zijn vriend en advocaat Georges De Vos nog vlug enkele ontboezemingen  opbiechten. Later zou de verklaring van Goedertier op zijn sterfbed toelaten om hem - zo goed als zeker - als D.U.A. te identificeren.
Hij zou onder meer gezegd hebben: ”Ik ben de énige ter wereld die weet waar de Rechtvaardige Rechters zich bevinden” en hij wees naar een lade in zijn bureau….

Stroman ?
Uit respect voor zijn dode vriend onderneemt advocaat De Vos de eerste dagen geen actie. Pas na de begrafenis begeeft hij zich opnieuw naar de woning van weduwe Goedertier. Met haar hulp vindt hij in een afgesloten lade een grote enveloppe met daarin niet alleen alle dubbels van de D.U.A.-brieven, maar ook de uitgeknipte advertenties en zelfs nog een ontwerp van een nooit verzonden brief.
Maar nérgens een link naar de vindplaats van het paneel. Eén ding blijkt vast: door de verklaring van Goedertier op zijn sterfbed en de vondst van een bijgehouden compleet dossier kon alvast D.U.A. geïdentificeerd worden.
Zowel de echtgenote als de vriend advocaat zijn met verstomming geslagen. Wie had dat ooit gedacht? Dat mijnheer Arsène in staat was tot diefstal en afpersing, lijkt voor niemand die hem kent echt  waarschijnlijk. Maar er zijn de niet verkeerd te interpreteren documenten als bewijs. En de intelligente aanpak waarmee een losgeldmisdaad werd geleid naar een ontknoping zonder risico op ontmaskering der dief.

Zoektocht
Een grondige zoektocht in de woning van Arsène Goedertier volgt. D.U.A. bewaarde daar zijn brieven, dus misschien was daar ook ergens het schilderij te vinden. Maar hoe ook alles wordt omgekeerd, het blijkt ijdele hoop. In een tweede zoektocht vindt men wel nog meer aanknopingspunten. Intrigerende bewijsstukken zijn een aantal tekeningen of schetsen die opduiken. De schetsen zijn in potlood gemaakt, bevatten afmetingen, indicaties en veelal onleesbare krabbels. Onmiddellijk groeit het idee dat deze documenten te maken hebben met de mogelijke bergplaats van het schilderij. Er is ook een brief die hij aan zichzelf heeft geschreven en die mogelijks moest dienen als alibi: in dat schrijven vraagt een onbekende aan Goedertier om als tussenpersoon te fungeren om een pakje op te halen bij pastoor Meulepas in Antwerpen. Mocht mijnheer Arsène dus gesnapt geweest zijn bij de losgeldoverhandiging, kon hij nog altijd zeggen dat hij slechts een stroman was. Het briefje moet destijds in zijn binnenzak gezeten hebben in de taxi. Goedertier had zijn misdaad dus zeer goed voorbereid. Hij besefte dat de overhandiging van geld de meest gevaarlijke fase was in een afpersingszaak.

Het mysterie blijft
De onderzoekers vinden nog méér: een stadskaart van Antwerpen met erop het telefoonnummer van pastoor Meulepas. Een merkwaardige vondst is verder een bewijsbriefje van het bagagedepot in het Gentse Sint-Pietersstation. Zou met dit bewijsstuk de zaak kunnen worden opgelost? Zou dààr uliem het paneel te vinden zijn? Men vindt er echter niet het gestolen paneel maar wel de schrijfmachine terug waarmee D.U.A. zijn brieven heeft geschreven.
Tot op vandaag blijkt dat alles samen tevergeefse aanknopingspunten of mogelijke sporen naar een vindplaats.
De eerste maanden van 1935 deed commissaris Luysterborgh nog verder ijverig naspeuringen. Hij verrichte diverse huiszoekingen en ondervragingen, maar vond geen noemenswaardige nieuwe gegevens. De politie onderzocht ook de Sint-Gertrudiskerk te Wetteren, waar Goedertier koster was geweest: allemaal ijdele hoop.

Tussenpersoon ?
Mevrouw Goedertier zelf bleef tot aan haar dood beweren dat haar man de kastanjes uit het vuur had gehaald voor een vooraanstaande familie, maar gaf hierover nooit verdere uitleg. Zij hield steeds de feitelijke onschuld van haar man vol en aan de bisschop gaf zij aan meer vertrouwen te hebben in de “verjaring” dan in de beweringen van de bisschop.
Na een aantal maanden besloot de overheid wat meer gegevens publiek te maken. Via een aanplakbrief werd een beloning van 25.000 frank uitgeloofd voor al wie nuttige inlichtingen kon verschaffen. De speurders volgden een aantal tips en sporen. Maar men dreef daarbij de zaken niet echt op de spits. Iets dat later het gerecht via diverse kritiek zwaar werd aangerekend. In maart 1937 sloot de procureur de zaak definitief af. De dader was voor hem wel degelijk gevonden en stond nu waarschijnlijk terecht voor de ‘Opperste Rechter’. Goedertiers dood maakte met andere woorden verder onderzoek overbodig.

Speurtocht gaat verder
Maar niet iedereen gaf het zomaar op…
Het feit dat het schilderij nooit is teruggevonden en de hoge uitgeloofde beloning,  zorgde sinds de diefstal onmiddellijk voor heel wat initiatieven en speculaties. Het meest omvangrijke onderzoek is op naam te schrijven van de Duitse bezetter. Een Duitse speurder, Herr Koehn, voerde na 1940 een grondig onderzoek naar de diefstal en de mogelijke bergplaats ervan. Men vertelt dat men het schilderij ongeschonden aan Hitler wou geven als verjaardagsgeschenk. Toen de Duitsers in september 1944 Gent verlieten, had Herr Koehn wel honderden pagina’s verslagen vol gepend maar het kunstwerk heeft hij nooit teruggevonden.

Na de oorlog begonnen amateur-detectives dan hun rol over te nemen. Met de regelmaat van een klok doken mensen op die (zogezegd...) wisten waar het paneel verborgen was. Nu eens was het een waarzegger of een pendelaar die na een “visioen” meer informatie kon verstrekken, dan weer een “amateur-speurder” die het bewijsmateriaal had geanalyseerd en merkwaardige verwijzingen vond die konden leiden naar de mogelijke vindplaats. Kerken werden ‘afgependeld’, graven en kelders opengebroken, en zelfs het binnenste van een altaar onderzocht.
Tot op heden blijven De Rechtvaardige Rechters in het verborgene. Of wie weet is het paneel al lang vernietigd? De diefstal blijft al die jaren nog steeds heel wat gemoederen beroeren. De laatste decennia leeft vrij algemeen de overtuiging dat Goedertier wel degelijk het “brein” geweest is. Maar tachtig jaar later blijft zijn geheim onopgelost.

Piet De Baets