In de nacht van dinsdag 10 op woensdag 11 april 1934 werden twee panelen van Het Lam Gods gestolen uit de St. Baafskathedraal te Gent: dat van St. Jan De Doper en dat van de Rechtvaardige Rechters. De diefstal werd nooit volledig opgehelderd en ging als de bekendste kunstroof in België de geschiedenis in.
Nog steeds duikt het verhaal opnieuw op als weer een of andere ‘visionair’ denkt de plaats van het nooit teruggevonden paneel te weten zitten…
Maar ondanks herhaalde zoekpogingen van would-be detectives  en amateurspeurders bleef het ontbrekende paneel tot vandaag onvindbaar, nu al 84 jaar.
Zoals onlangs nog, toen jeugdauteur Marc De Bel de theorie lanceerde dat het paneel onder de Kalanderberg zou begraven liggen, het  pleintje in het centrum van Gent, op wandelafstand van de Sint-Baafskathedraal. Ondanks graafwerken kwamen de speurders (weer) van een kale reis thuis.
Hierna reconstrueren wij nog eens opnieuw het spannende verhaal van deze kunstdiefstal, inbegrepen de moeizame contacten over het losgeld  via zoekertjes in dagbladen en de speculaties rond de bekentenissen van een man op zijn sterfbed.
Een verhaal dat actueel zal blijven tot de ‘vondst van de eeuw’ miraculeus plaats vindt.

Losprijs

Het Lam Gods, een schilderij dat bestaat uit diverse panelen, is een meesterwerk van de Vlaamse Primitieven uit 1432, geschilderd door de gebroeders van Eyck in opdracht van Joos Vijd, schepen van de stad Gent en kerkmeester destijds van de Sint-Baafskathedraal Gent.
Twee panelen uit het retabel, dat van St. Jan De Doper en dat van de Rechtvaardige Rechters werden in de nacht van 11 april 1932 uit de St. Baafskathedraal gestolen.  Eén van de 2 panelen werd kort na de verdwijning door de dief als onderpand en bewijs van zijn stoutmoedige daad terugbezorgd. Voor het andere paneel, voorstellende “De rechtvaardige rechters” (het onderste paneel links uit het retabel) vroeg hij een hoge losprijs.
Maar de ruil ging uiteindelijk nooit door en de dief bleef uit handen van het gerecht. Pas vele jaren later biechtte een man uit Wetteren op zijn sterfbed de misdaad op, maar het geheim van de vindplaats van het origineel paneel nam hij nog nipt mee in zijn graf. Volgens de dief zou het paneel nooit kunnen teruggenomen worden zonder dat iemand het zag. Onmiddellijk werd de link met een openbare of afgesloten publieke plaats gelegd.

Kerk wordt gesloten

10 april 1934 in de vooravond. In de nog vredige tijd vooraleer zes jaar later de 2de grote wereldoorlog van 1940 zou uitbreken.
Een net geklede man verlaat een café in centrum Gent, waar een groepje tooghangers het recente overlijden van Koning Albert becommentariëren. Hij kijkt nog eens achterom op de horloge boven de toog. Hij heeft nog ruim de tijd. Rustig wandelt hij in de richting van de Sint-Baafskathedraal en gaat de kerk binnen. In het schemerdonker wacht hij als een schim in het portaal. Binnen een half uur sluit de kerk. Het licht in de kerk versombert. Rond zeven uur doen de kerkbedienden hun laatste ronde. Sleutels vallen in het slot. Een laatste bezoeker haast zich nog snel naar buiten. En dan wordt het stil. Minuten later duikt de schaduw op uit zijn schuilplaats. Voorzichtig kijkt hij om zich heen. De kust lijkt veilig.

Ophef

De voorbije maanden heeft hij het gebouw meer dan eens goed verkend. Hij stapt dan ook fluks op zijn doel af: de Vijdkapel in een zijbeuk. Daar hangt achter een groot groen doek ‘Het Lam Gods’. Het kunstwerk is meer dan 500 jaar oud en van onschatbare waarde. De man heeft besloten om het als pasmunt te gebruiken voor een zorgeloos leven, een riant appeltje voor de dorst, zeg maar. Niet zonder moeite slaagt de man erin om de twee zijpanelen beurtelings van het kunstwerk los te haken. De duisternis slaat inmiddels helemaal toe. Toch lukt de dief in zijn opzet. Hijgend en zuchtend last hij nog een korte rustpauze in en muist er dan stilletjes vanonder.
Reeds om half zes ‘s morgens moet de kerk opnieuw open. Een kerkbediende sloft plichtsgetrouw door de ochtend naar de St.-Baafskathedraal. Hij haalt zijn sleutelbos boven. “Goedemorgen,” hoort hij plots een vrouwenstem.
Verwonderd kijkt hij op. Een vrouw verlaat nu reeds de kerk nog voor hij ze geopend heeft...?
Hij stelt zich vragen. Heeft een collega of priester reeds vóór hem deze deur opengedaan? Of is iemand de avond voordien vergeten om ze af te sluiten? Wanneer even later ook de koster aankomt, maken de mannen samen een vlugge rondgang door de kerk. In de Vijdkapel trekken zij het rolgordijn over Het Lam Gods naar omhoog. Hun ogen sperren zich wijd open. Diefstal? Twee panelen verdwenen! Zij besluiten de politie te verwittigen. Die komt ter plaatse en neemt getuigenissen af. Samen met de politie duiken ook de eerste “ramptoeristen” op. Het is een aantal mensen van de ochtendmis niet ontgaan dat er iets vreemds aan de hand was die dag. Al vlug raken zij op de hoogte van de ware toedracht. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje door de stad. Tientallen mensen komen zich vergewissen van de diefstal en vernietigen zo misschien wel waardevolle sporen.

D.U.A.

De diefstal wordt onmiddellijk voorpaginanieuws. “Ophefmakende diefstal te Gent” zo luidde één van de krantenkoppen. Meteen krijgt de politie ook allerlei tips binnen over mogelijke verdachten. De misdaad zet het hele land in rep en roer. Allerlei hypotheses duiken op. Maar al vlug blijkt dat het terugvinden van deze panelen geen fluitje van een cent zou worden. Pas begin mei komt een eerste teken van leven vanwege de misdadiger. Het bisdom in Gent ontvangt een in het Frans opgestelde en getypte brief, privé gericht aan de bisschop en ondertekend met de initialen D.U.A. Nooit zou iemand later een plausibele verklaring vinden voor deze afkorting. Er zouden op korte tijd nog twaalf soortgelijke brieven volgen. De diefstal evolueert dra duidelijk in de richting van een afpersingszaak, met de kunstwerken als onderpand.
Uit de brief kon de bisschop opmaken dat de schrijver wel degelijk beschikte over de gestolen kunstwerken en dat hij, enkel en alleen hij, wist waar ze verborgen waren. In ruil voor de teruggave eiste de misdadiger een miljoen Belgische frank, in verschillende kleine coupures en met de eis dat de nummers niet mochten worden genoteerd. Ook werd de garantie gevraagd dat na de overhandiging van het geld geen pogingen zouden worden ondernomen om de dader op te sporen. Was de teneur van de brief over het algemeen nogal nuchter dan maakte de slotparagraaf toch duidelijk dat er met de dief niet te spotten viel: indien het bisdom zou weigeren op het verzoek in te gaan of indien men het spel listig zou spelen, dan mocht het ergste worden gevreesd voor beide panelen.

Berekend risico

Het bisdom besluit voorzichtig de boot af te houden. De afperser had gevraagd om te reageren via een zoekertje in de Franstalige krant ‘La Dernière Heure’. Het gegeven leek zo uit een misdaadroman gegrepen. In de krant van 14-15 mei verscheen bijgevolg volgend bericht: “D.U.A. Proposition exagerée” (vertaling: D.U.A. Overdreven voorstel).
Daarmee nam men uiteraard een min of meer berekend risico. Evengoed had de dader nu komaf kunnen maken met de hele zaak, de panelen vernietigen en nooit meer van zich laten horen. Maar daarmee zou hij ook riskeren het geld mis te lopen. En daar speculeerden bisdom en speurders voorzichtig op.

Niet geheel onverwacht arriveerde vijf dagen later een nieuwe brief op het bisdom. De dief herhaalde zijn eisen en dreigde ermee de panelen te verminken. Merkwaardig genoeg beloofde hij een percentage van het “losgeld” uit te zullen betalen aan het bisdom. De kunstrover wist dus duidelijk dat het schilderij eigenlijk staatseigendom was. Dit betekende dat het geld diende bijeengebracht te worden door de wereldlijke en niet door de geestelijke overheid. In een sluwe poging om de verschillende partijen tegen elkaar op te zetten, beloofde de dader dus een percentje commissie aan de bisschop.
Er volgden op het bisdom diverse besprekingen op het hoogste niveau. Het resultaat ervan was dat men de zaak carte blanche doorgaf aan de politie. Maar met het berekend risico dat deze beslissing het definitieve verlies van een bijzonder belangrijk kunstwerk als gevolg kon hebben…

Eén paneel keert terug

Toch bleek korte tijd later een en ander plots de goede richting uit te gaan, zowel voor de speurders als voor de dader. Die kon op 25 mei in de krantenadvertenties lezen “dat alle voorstellen werden aanvaard”. Vier dagen later liet de geheimzinnige D.U.A. weer van zich horen, via de geijkte weg, een brief aan het bisdom. Hij bedankte daarin voor het goede nieuws. Meteen gaf hij een paar praktische instructies mee waarmee een der panelen kon worden teruggevonden. Dankzij dit schrijven vond de politie in een depot van het Brusselse Noordstation het paneel met Sint-Jan De Doper terug. Het bleek authentiek en ongeschonden. De dader had woord gehouden. De politie beschouwde de daad echter als een vorm van zwakheid en besloot tot op de bodem te gaan.

Pastoor als tussenpersoon

Drie dagen later volgde een nieuwe brief met instructies voor de overhandiging van het losgeld. In de enveloppe bevond zich een stuk papier dat duidelijk ergens was van afgescheurd. Het zou dienen als identificatiebewijs voor de persoon die later het losgeld zou komen ophalen. Deze zou immers de andere helft mee hebben. Door het in elkaar passen van beide stukken kon de persoon die het geld diende te overhandigen zich overtuigen van de identiteit. De dader duidde als tussenpersoon een pastoor in Antwerpen aan, die door de politie werd ingelicht.
Op 10 juni 1934 kwam op het bisdom een nieuwe brief aan waarin nogmaals om geheimhouding en reactie werd gevraagd. Drie dagen later bevestigde men dit met een krantenadvertentie. Het geld kon overhandigd worden.
Op 14 juni in de namiddag ging bij pastoor Meulepas van de parochie Sint-Laurentius in Antwerpen de telefoon. De meid nam op. Een man in het Frans vroeg naar de pastoor. De pastoor was er niet en de meid gaf het nummer door van de plaats waar een parochie-activiteit plaatsvond.
Toen pastoor Meulepas daar aan het toestel werd geroepen verstijfde hij. De geestelijke besefte dat hij de eerste was die echt contact had met de persoon die De Rechtvaardige Rechters in zijn bezit had. De eerwaarde maakte op diens verzoek onmiddellijk een afspraak in zijn pastorij met de beller. Meulepas haastte zich snel naar huis terug. Nauwelijks had hij zijn meid het onwezenlijk verhaal gedaan of de bel ging. De pastoor stapte de gang in, sloeg een kruisteken en opende de deur. Hij zag een fors gebouwde man voor zich.

Taxichauffeur

Vrij snel bleek het om een taxichauffeur te gaan die in Antwerps dialect vroeg naar een pakje dat hij daar moest afhalen. Hij gaf ook een gesloten enveloppe af aan de pastoor.
De eerwaarde haastte zich naar een ander vertrek. Een taxichauffeur als onwetende tussenpersoon, dat heeft de dader goed bekeken, dacht hij. Intussen opende hij nieuwsgierig de enveloppe. Er zat een stukje krant in. Uit zijn schuif haalde hij vervolgens ook het krantenknipsel dat hij van de politie had gekregen. De stukken pasten perfect bij elkaar! Zonder aarzelen nam de geestelijke het pak met geld dat hij via de politie had gekregen en stapte terug naar de voordeur.
- “Hier zie, vriend. De boodschap in de enveloppe klopt. Dit is het pakje waarvoor u komt. Succes ermee. Mijn huishoudster zal u buiten laten.”
Aan het hek van de pastorij zag de meid de nog draaiende taxi met een onbekend persoon  op de achterbank. Het duister belette haar om details te zien. De chauffeur groette haar kort en vertrok.
Achteraan opende de passagier met begerige handen het pakje. Groot was de ontgoocheling toen hij zag wat erin zat…

(Piet De Baets)