Vorige week werd in de kapel van het vroegere Sint-Vincentiuscollege een tweede verborgen nis ontdekt. Het is al de tweede keer dat er in de kapel een geheime bergplaats opduikt, maar ditmaal leek het iets spectaculairder. Het betreft een koperen doosje dat weggeborgen zat onder een platte ingemetselde steen in het altaar. Drie martelarenDe oude kapel wordt binnen afzienbare tijd afgebroken en Carlos Saey van de Technische Dienst vond het zonde als belangrijke zaken alsnog  in het puin zouden verdwijnen. Carlos ontdekte vóór het tabernakel een ingemetseld platte steen met een kruis op. Toen hij die los sleep, bleek eronder een kleine nis te zitten waarin hij een koperen doosje vond. Eenmaal open vond men binnenin drie kleine envelopjes met een naam op, kleine brokjes van een onduidelijk materiaal en een stukje perkament met een Latijnse tekst. Myriam Lammertijn, lerares Latijn aan de school, ontcijferde de tekst en kwam tot volgende vertaling van de eerste zinnen:“ In het jaar 1937, op 1 juli, heb ik, eerwaarde heer Coppieters, bisschop van Gent, deze kerk en dit altaar gezegend, ter ere van Sint-Vincentius, martelaar, en ik heb er de relikwieën van de heilige martelaren Felix, Benedictus en Adauctus in opgeborgen.”(*zie onderaan)De rest van de tekst betrof “aflaten” die de bisschop “en passant” had verleend aan gelovige christenen. Op de envelopjes bleek de naam te staan van de drie genoemde martelaren. Gans de bedoening is dus een plechtig gevolg van de inwijding van de kapel door de toenmalige bisschop in 1937. De twee heiligen Felix en Adauctus worden meestal in één adem genoemd omdat ze samen gestorven zijn.  Traditie bij wijding Verdere informatie bij deken Wilfried van Wilder van Eeklo en bij Ludo Collin, kanselier van het bisdom Gent en verantwoordelijk voor de relikwieën, leerde ons nog het volgende.“De traditie om relicten in een altaar weg te bergen, stamt uit de tijd van de eerste christenen”, weet deken Van Wilder. “Toen werden de eucharistievieringen gehouden bij het graf van een heilige of een martelaar, die als voorbeeld gold voor de hele christengemeenschap. Daarom worden in elk vast altaar enkele relikwieën weggeborgen.”“We hebben hier een hele kamer met beenderen van vermeende heiligen en martelaren in voorraad”, vult kanselier Ludo Collin, verantwoordelijke voor de relikwieën van het bisdom Gent, aan. “In elk altaar moeten er op zijn minst relicten van drie heiligen geplaatst worden. De keuze voor de heilige Felix, Benedictus en Audactus moet toevallig zijn. Het is niet zo dat de relikwieën een link moeten hebben naar bijvoorbeeld de patroonheilige van de kerk. In principe moeten alle relikwieën  terugkeren naar het bisdom als een kerk ontwijd wordt of – zoals in Eeklo het geval – afgebroken wordt. Maar ik neem aan dat ze daar in goede handen zijn. Bewaar ze dus maar in de archieven van de school!”. Flesjes Eerder werden in een verborgen nis achter een ingemetselde steen – de eerste steen van de kapel, bleek later – al twee flesjes gevonden. Het eerste flesje, het kleinste, was een eenvoudig medicijnflesje. Het tweede was in blauw glas gemaakt en was afgesloten met een kurk en met was.Het blauwe flesje onthulde een groot blad papier – A3-formaat of zo – met een lange Latijnse tekst, die onder meer het volgende fragment bevatte:“Deze hoeksteen van de kapel van het bisschoppelijk college van Eeklo is gezegend daags voor Hemelvaart van het heilsjaar van Onze Heer Jezus Christus 1936 door eerwaarde Heer deken R. De Temmerman, in aanwezigheid van eerwaarde heer Superior A. De Man, van de docenten, van alle leerlingen en ook van architect Vaerwijck en van aannemer Heene en zijn arbeiders.”In het medicijnflesje zat een eenvoudig handgeschreven blaadje van een zekere C. Wille dat verwees naar het document in het blauwe flesje. Uit de tekst op dat briefje kon worden afgeleid dat die zwarte steen de eerste steen was geweest van de kapel. Deze steen zal later als herinnering ingemetseld worden in de nieuwbouw die momenteel op de afgebroken resten van het voormalige college opgetrokken wordt. Piet De Baets