In de jaren tachtig van de vorige eeuw hield de “Sidmar Moord” Vlaanderen jarenlang in zijn ban. Alles aan de zaak was van topniveau. De verdachte: Alphonse Helfen, toen de directeur-generaal van het Gentse staalbedrijf Sidmar. Het slachtoffer: Anne Bernheim, briljante juriste, steenrijk, rechterhand en minnares van Helfen en een van de machtigste vrouwen in Vlaanderen. Haar andere ‘minnaar’: een professor oudheidkunde aan de Gentse Universiteit. Hun advocaten: de inmiddels overleden toppleiter Leo Martens voor Helfen en de eveneens overleden Piet Van Eeckhaut voor de burgerlijke partij. En niet in het minst de feiten: baas schiet minnares dood, de avond dat ze hem zou vertellen dat ze hem inruilde voor een nieuwe liefde. Meer had assisen-minnend Vlaanderen niet nodig om er jarenlang van te smullen.

Even terzijde: waar het internet normaal krioelt van alle mogelijke moorden en misdaden uit alle tijden, is er over deze moord bijna niets meer te vinden. Alles lijkt vakkundig gewist, tot zelfs foto’s van de protagonisten toe. Wij hadden alle moeite van de wereld om een en ander opnieuw samen te stellen en vonden foto’s met medewerking van het artikelen-archief van Het Laatste Nieuws.
Over deze en andere moorden is er bij Uitgeverij De Standaard (2005) een verzameling verschenen in boekvorm: “Moord en Doodslag” van Gust Verwerft, de gerenommeerde gerechtsjournalist. Maar ook daarin geen foto’s…De geschiedenis die we hierna samenstelden laat vermoeden dat de dader zijn hoge invloed aanwendde om een en ander over zijn verleden te laten verdwijnen. Alphonse Helfen zat slechts 19 weken in de cel. Ook dààrom wordt door sommigen naar zijn invloed in hogere kringen verwezen...

Maandag 24 september 1984 krijgt Anne Bernheim (41) op het riante buitenverblijf van haar familie ‘Fort Raepschot’ in Moerkerke-Damme (11.200 m2) het bezoek van haar baas en minnaar, Alphonse Helfen (59). Hij is een Luxemburger, Duits- en Franstalig,  en de grote baas van Sidmar, (nu Arcelor Mittal), en zij zijn rechterhand. Bernheim werkte aanvankelijk op diverse socialistische kabinetten en toen haar baas Willy Claes, minister van economie, enkele miljarden naar Sidmar sluisde, als compensatie voor de vele miljarden die naar het Waalse staal gingen, verhuist Anne Bernheim mee naar Zelzate, verantwoordelijk voor ‘participaties’ en toezicht. Later wordt zij financiële directeur bij Sidmar. De twee reizen beroepshalve veel samen de wereld rond en hebben al ruim drie jaar een relatie. Zij is pas weduwe geworden nadat haar man, de Brugse notaris Guy Van der Hofstadt, om het leven kwam bij een verkeersongeval en een zoontje van 11. Helfen is al decennia getrouwd: zijn vrouw weet niks af van de relatie.

Gewoon naar huis
Rond 21.20u weerklinkt een schot. Eén schot ! Even later staat Helfen in paniek in de woning van de conciërge. “Er is een ongeval gebeurd met madame. Bel onmiddellijk een dokter”. De dokter, met in zijn zog de rijkswacht, is er zo’n tien minuten later. Voor Bernheim kan geen hulp meer baten. Ze ligt dood op bed, een kogel in de borst. “Een noodlottig ongeval”, verklaart een ontredderde Helfen aan de rijkswacht. Hij had het wapen, dat Bernheim hem toonde, een Smith & Wessson .38, in zijn handen genomen. “Ik wist niet dat hij geladen was, laat staan schietklaar”. Toen Helfen met zijn wijsvinger de trekker en met zijn duim de haan beroerde, ging het fatale schot af.
Over die vinger aan de trekker zegt Helfen even later, wanneer hij door een commissaris van de gerechtelijke politie wordt ondervraagd, niks meer. Omdat de wapendeskundige niet meteen kan uitsluiten dat er alsnog een schot afgaat door het manipuleren van alleen de haan en omdat het om een hooggeplaatste man gaat, mag Helfen, nadat hij de hele nacht is ondervraagd, als een vrij man naar zijn villa in Knokke, waar zijn inmiddels gealarmeerde vrouw op hem wacht.
Het Brugse parket doet zijn uiterste best om het “ongeval” en de identiteit van de hoofdrolspelers uit de pers te houden. Aan de geheime liefdesrelatie wordt door het gerecht nauwelijks aandacht besteed. Maar na drie dagen onderzoeken en experimenteren komt de wapendeskundige tot de conclusie dat Helfens’verklaring - dat hij alleen de haan manipuleerde en daardoor het schot afging - niet kan kloppen. Daarop wordt de Sidmarbaas een tweede keer ondervraagd door dezelfde politiemensen, aan wie hij verzwegen had dat hij de vinger aan de trekker hield. Die trekken onmiddellijk hun conclusies: wie op zo’n manier liegt, kan niet anders dan schuldig zijn.
Na dit verhoor wordt Helfen aangehouden. Hij zit zes weken in voorhechtenis, tot de Gentse kamer van inbeschuldigingstelling, na het verslag van een tweede wapendeskundige, hem vrijlaat. Deze laatste beweert namelijk dat de aanvankelijke uitleg van Helfen per uitzondering en toevallig wél kan en oordeelt dat ‘er geen voldoende aanwijzingen van schuld meer zijn’. De pers ruikt een kluif en de zaak blijft enkele dagen voorpaginanieuws.

Toch naar assisen
Helfen gaat na zijn voorlopige vrijlating doodgewoon weer aan de slag bij Sidmar en reist beroepshalve weer de wereld rond voor belangrijke staaldeals. De zaak lijkt maandenlang een stille dood te sterven. De familie van het slachtoffer dringt ook niet aan op een proces: in ruil voor het vele geld (250.000 €) dat ze geen verdere stappen meer ondernemen. Maar één parketmagistraat, Roland Van Belle, gelooft Helfen niet. Vooral omdat na een hele tijd John Devreker opduikt, een professor oudheidkunde aan de Gentse universiteit. Als deze zich meldt als de nieuwe liefde van Anne Bernheim is het hek plots van de dam. Hij beweert dat hij en Bernheim sinds februari 1984 een passionele relatie hadden en dat hij tot het moment van de feiten constant op Fort Raepschot verbleef. Hij beweert ook dat Bernheim Helfen wilde dumpen.
“Anne had Helfen de fatale avond naar Raepschot doen komen om definitief een punt te zetten achter hun relatie”, beweert de alles behalve mediaschuwe professor. Helfen zal dat in een zeldzaam kranteninterview ontkennen (zie kaderstuk). Hij kwam naar Raepschot om een belangrijke buitenlandse zakenreis met Bernheim voor te bereiden. Dat hij haar zou gedood hebben uit jaloezie lacht hij weg als ‘potsierlijk’.
Maar het kwaad is geschied: in september 1986, twee jaar na de feiten (!) , wordt Helfen alsnog naar het Brugse hof van Assisen verwezen. Een half jaar later is het zo ver en kan Vlaanderen zich opmaken voor een zoveelste ‘proces van de eeuw’. Drie weken gaat het duren, er zijn 67 getuigen, 50 journalisten en er is een uitvergrote maquette gemaakt van het ‘moordwapen’. Vanuit de VS wordt de tweede in bevel van wapenfabriek Smith & Wesson als getuige in de zaak opgeroepen. Waardoor ook Amerika ruchtbaarheid van de zaak krijgt.

“Een ongeluk”
Wie er niét is, is professor Devreker ! Hij heeft zich als burgerlijke partij op het laatste ogenblik teruggetrokken op advies van zijn advocaat Piet Van Eeckhaut. Deze vreest namelijk dat de verdediging van Helfen ‘kipkap’ zal maken van zijn zelfuitgeroepen nieuwe liefde met Anne Bernheim. En ook omdat Devreker begint te twijfelen aan de ‘schuld’ van Helfen. Toch blijft Van Eeckhaut zitten in de bank van de burgerlijke partij. Nu voor een verre tante van Bernheim, die ze waren vergeten vragen mee de ‘deal’ met Helfen te tekenen.
De tweede dag van het proces mag Helfen zijn versie van de feiten geven: hoe de relatie met Bernheim begon in Rio, hoe haar man-notaris dat tolereerde, wegens ‘een open huwelijk’, hoe praten voor hen belangrijker was dan de vier keer per maand seks, en dat er geen sprake van was dat Bernheim de relatie wou stopzetten. Voor het dodelijke schot bleef hij bij zijn eerdere uitleg van een fataal ongeluk.
Drie dagen later volgt het tweede hoogtepunt van het proces: professor Devreker is dan wel geen burgerlijke partij meer, hij komt wel getuigen: hoe bang Bernheim was voor Helfen, hoe hij eiste dat ze met hem brak, maar dat ze niet wist hoe Helfen daarop zou reageren. Enkele dagen later volgt het derde hoogtepunt: de vrouw van Helfen komt getuigen, niet nadat ze onder elkaar eerst uitgebreid kushandjes hebben uitgewisseld.
Helfen had zijn vrouw moeten uitleggen dat hij een intieme relatie had met Anne, nadat dit was gebleken uit lezingen van het vooronderzoek.
De toon is meteen gezet: hoe de relatie van haar man met Bernheim haar weliswaar heeft bedroefd, maar niks heeft veranderd aan de liefde die ze al 32 jaar voelt voor haar man en hoe het drama hen zelfs dichter bij elkaar heeft gebracht.
“Ik weet dat ik steeds de nummer één in zijn leven ben geweest...” besluit ze.  “Maar ik kan u allen verzekeren: mijn man kan niemand met opzet kwaad doen. Dat ligt niet in zijn aard. De dood van Anne Bernheim is ook volgens mij een ongeluk”.

Genade
De laatste dag voor de pleidooien tovert de advocaat van Helfen nog een wit konijn uit zijn hoed: de familienotaris van Bernheim. De man komt omstandig getuigen hoe Anne Bernheim wel vaker speelde met geladen wapens. In zijn pleidooi roept advocaat Piet Van Eeckhaut Helfen nogmaals op de waarheid te zeggen: hoe is het écht gebeurd en waarom? Maar, geeft de toppleiter ongaarne toe, doodslag was het niet, een ongeval evenmin, eerder een ‘faalhandeling’. In juridische taal: ‘slagen en verwondingen zonder het oogmerk te doden, maar met de dood tot gevolg’. Een onverwachte en onverklaarbare milde opstelling van de Gentse toppleiter. Het parket houdt het eveneens op doodslag. Leo Martens, advocaat van Helfen en een gehaaide procedurepleiter, haalt het onderzoek door de mangel. Volgens zijn mede-pleiter Antoon Lust kon er geen sprake zijn van doodslag, want zijn cliënt had amper ervaring met wapens en het ging dus inderdaad, zoals Piet Van Eeckhaut al zo vriendelijk had gesuggereerd, om een ‘faalhandeling’, zoals bij een verkeersongeval: iemand wordt gedood zonder het te willen.
De jury heeft vier uur nodig om eruit te geraken: zeven juryleden stemmen voor doodslag, vijf tegen. Het hof - de voorzitter en twee bijzitters - moeten bij zo’n stand de knoop doorhakken. En een beetje ongewoon sluiten zij zich bij de minderheid aan, waardoor doodslag definitief van tafel is. Uiteindelijk wordt het “opzettelijke slagen en verwondingen, zonder het oogmerk te doden, maar met de dood tot gevolg”. Waarmee ze eigenlijk het pleidooi van de burgerlijke partij volgen.
Daarop vordert de procureur acht jaar cel, twee minder dan de maximumstraf. Alweer wegens ‘de vele verdiensten’ van Helfen. Hij is toch de ‘baas’ van ongeveer 7.000 personeelsleden die hem niet kunnen missen ? Finaal houdt de jury het op drie jaar cel, waarvan de helft effectief. Helfen gaat eventjes de cel in. Hij dient een genadeverzoek in en komt drie maanden na zijn proces vrij. Hij gaat daarop met pensioen en verdwijnt voorgoed in de anonimiteit. De zaak blijft duizenden personeelsleden en familieleden in en rond Zelzate en de bevolking van Moerkerke nog maandenlang beroeren. Helfen zou vandaag in leven 95 zijn, maar niemand heeft nog van hem gehoord.


De versie van Helfen zelf
In een zeldzaam en exclusief interview in Het Laatste Nieuws zal Helfen een enige keer zijn versie vertellen. Zelfs op het proces deed hij zelden zijn mond open en sloot zich in een somber zwijgen op.
Hierna enkele uittreksels uit dit gesprek dat de wereld rond ging.
“Anne was een piekeraar. Steeds twijfelde dat ze een of ander niet aan zou kunnen. Ten onrechte, ze was een briljante juriste. Ze moest dringend haar leven reorganiseren, ook voor haar zoontje. Soms was ze een volledige maand weg op dienstreis in Noord- en Zuid Amerika. Als wij samen waren werd ook daarover veel gesproken. Ze nam me in vertrouwen. Ik kende haar gevoelens goed. Dat er de jongste tijd geregeld iemand op haar buitenverblijf in Moerkerke bleef logeren, wist ik en dat stoorde mij niet. Maar de figuur van professor Devreker kende ik helemaal niet.”

“Het klopt dat ooit eens een man ’s morgens de deur van Fort Raepschot voor mij heeft geopend toen ik Anne daar voor een dienstreis naar Luxemburg kwam ophalen. Ik heb daar nooit bedenkingen bij gemaakt. Door de speurders en in de pers werd dit allemaal zo vreselijk verkeerd voorgesteld.”

“……..ik moet toch eens onderstrepen dat alle processen-verbaal in deze zaak in het Nederlands zijn opgesteld, terwijl mijn moedertaal Duits is en ik me ook heel wat beter kan uitdrukken in het Frans. Dat was een handicap die tot misverstanden heeft geleid, zoals de versie over het gebruik van het wapen.”

“Die dag stond er op de agenda een belangrijke raad van bestuur die moest worden voorbereid. Ik wist dat Anne ’s anderendaags voor een miljardenproject naar diverse landen moest reizen maar vond de tijd niet om het met haar te bespreken. Daarom vroeg ze om ’s avonds bij haar te komen. Ongewoon was dat niet. Trouwens ook met anderen erbij werden daar soms zaken besproken.
Rond kwart na zes ben ik bij haar aangekomen. Ik weet nog dat het koud was en dat de centrale verwarming stuk was. Daarom trokken we naar haar slaap-en studeerkamer op de eerste verdieping waar ze een elektrische kachel had aangezet. Nadat alles zakelijk was besproken werd nog wat gekeuveld. Ze wilde me nog enkele koffertjes tonen om er haar juwelen in op te bergen. De koffertjes werden uit haar brandkast gehaald en ze toonde me ook haar revolver Smith&Wesson die ze voor haar verdediging had gekocht. Ik bekeek het wapen in mijn hand, manoeuvreerde wat met de haan en de trekker… en plots is het schot afgegaan.
Honderden vragen heeft men mij hierover naderhand gesteld. Ik weet eigenlijk niets af van wapens en ik heb helaas nooit kunnen vermoeden dat de revolver van Anne geladen was. De kogel had evengoed mijzelf kunnen treffen. Ik hoorde een schreeuw en wilde Anne geruststellen. Ik zag aanvankelijk niet dat ze getroffen was. Volgens mij haperde er wat aan die revolver. Ik herinnerde mij dat de haan wat opgespannen was en dat ik het tuig weer in orde wou brengen alvorens deze te laten terugleggen in de brandkast. Daarom heb ik de trekker aangeraakt. Alleen wapendeskundige Cnops vond mijn uitleg nadien wél aanvaardbaar. Ik kan u verzekeren dat de tragedie zo gebeurd is en dat ik nadien mijn hersens heb gepijnigd om precies te achterhalen wat de juiste opeenvolging van mijn handelingen is geweest. Het is ook nu nog en voor de rest van mijn bestaan een nachtmerrie.
Men heeft mij ook gevraagd of ik de kogelranden in de trommel niet had opgemerkt. Nee, ik heb niets gezien. Het was wel vrij duister in die slaapkamer.”

Piet De Baets