Eind de jaren ’60 van vorige eeuw stond Eeklo nog alom bekend als ‘Meubelstad’. Talrijke meubelfabrieken bloeiden als nooit tevoren met hun typische specialiteit van wat genoemd werd: “primitief”. Hun robuust eiken salons in een speciale ‘ Vlaams-primitieve’ stijl waren toen een hype tot in het buitenland en de productie kon nauwelijks volgen. Met de opkomst van ‘moderne’ meubelen, met Ikea als gangmaker, stierf de meubelnijverheid in Eeklo nadien een langzame dood. Michel Willems, toen nog een succesrijk fabrikant, had een fabriek (gekend als ‘Willems-De Vreese’) van wel een straat lang, 10.000 m2 langs het Kunstdal. In 1970 draaide de fabriek met meer dan 100 personeelsleden en een omzet die om de vijf jaar verdubbelde. Geen verschil Willems was een beetje een visionair. Het kolossale verbruik van eik voor meubelen deed hem vrezen voor voldoende bevoorrading in de toekomst. Hij begon, met behulp van universiteitslabo’s, te experimenteren met een soort ‘vervang’-eik, dat hij – ver vooruit op zijn tijd - onder de merknaam EKO patenteerde, nochtans geen allusie op Ecologie, maar een samentrekking van Eik en Eeklo. Zijn modellen in kunst-eik hadden de dichtheid van natuureik. Een salon woog even zwaar, had dezelfde lichtbruine kleur, hetzelfde structuurmotief en voelde aan als eik. Bovendien was het onvervormbaar, vuur- en waterbestendig, kleurvast en niet onderhevig aan vochtigheid en vlekken. Kortom: de nabootsing was quasi onzichtbaar. Wie dergelijk salon kocht en het geheim ervan voor zichzelf hield liep geen kans dat iemand ooit de nabootsing merkte. Zijn uitvinding was een samenstelling met onder meer polyurethaan-schuim en polyester. Hij maakte enkele van zijn eiken topmodellen na en liet dan sceptische klanten en vrienden raden naar het verschil met de modellen in ‘echte’ eik die hij ernaast plaatste. Zij zagen geen verschil ! Maar het verschil zat wel substantieel in de prijs: 40 % goedkoper dan de langzaam zeldzaam wordende natuureik en de steeds maar duurdere broertjes in massieve eik. Willems deed ieder jaar de obligate meubelbeurzen aan en stalde daar ook zijn simili-eiken meubelen uit. Vrij snel volgden bestellingen van meubelwinkels in binnen- en buitenland en bleek de uitvinding op weg naar een enorm succes. Het liet Michel Willems dromen van andere toepassingen. Dra volgden ook namaak-koffers, deuren, tafels, kleerkasten en bedden. In een overmoedige bui hoopte Michel dat binnen twee jaar zich geen enkele houten plank nog in zijn fabriek zou bevinden. Namaakkunst ten top? Publiek haakt af Maar weldra kwamen ook enkele negatieve kanten van de uitvinding naar boven. De personeelslast in de fabriek zou moeizaam moeten worden afgebouwd en nieuwe productiemachines aangekocht of vervangen. Toch bleek de meest kwetsbare kant van het succes de op voorhand niet in te schatten bijval bij het publiek. En dat bleek tegen te vallen. Potentiele klanten van een salon of slaapkamer stonden zeer kritisch tegenover het product. In meubeltoonzalen stonden de namaakmeubelen van Willems lukraak tussen andere modellen. En de klanten bleken het verschil toch te merken. De afwerking van het kunsteiken meubel uit Eeklo was licht blinkend en iets té glad. Deuren van kasten bleken na een tijdje niet perfect meer te sluiten. Meubelen in kunststof begonnen scheef te trekken en bleken niet zó sterk als voorgesteld. Michel Willems moest noodzakelijkerwijze enkele grote stappen terugnemen. Toen Taptoe hem contacteerde voor een interview in 1980 bleek hij niet meer zo happig om over zijn uitvinding veel uit te weiden... Toch kon Willems nog lange tijd focussen en teren op zijn faam in wat hij al jarenlang succesvol produceerde: Vlaamse primitieve écht eiken meubelen. Piet De Baets