Een weinig bekend verhaal uit het leven  van artistieke duizendpoot Patrick Ysebaert is zijn verbondenheid met Taptoe. Reeds in 1972, een paar maanden vóór de start van dit weekblad, vroegen wij hem om ons  logo te ontwerpen. Patrick was toen als grafisch ontwerper verbonden aan een Gents reclamebureau en ontwierp professionele folders, logo’s en campagnes voor grote bedrijven en steden.

Vrij snel kwam het – nog steeds bestaande logo van Taptoe ( met vierkante blokjes – zie blz.1) – tot stand en we zijn het ondertussen al 38 jaar lang schier ongewijzigd wekelijks blijven gebruiken.
Op de eerste 10  nummers van Taptoe heeft Patrick duidelijk zijn stempel gedrukt. Hij maakte illustraties bij de meeste advertenties (Nopri, Optiek Matuszczak, Willems Kledij) en maakte er bij sommigen pure juweeltjes van.
Zijn professionele bezigheden, afgewisseld met zijn talrijke persoonlijke vrijetijdshobby’s verhinderden hem dra om nog langer na de uren actief te blijven voor ons blad.
Maar de samenwerking ging verder in gezamenlijke brainstormingsessie’s, onder meer voor zijn toneelbezigheden. Samen staken we originele stunts en gedurfde reclame-ontwerpen in elkaar.
Bleek immers dat we beiden ergens een bepaalde raaklijn hadden, zij het bij Patrick meer op het artistieke, bij mij meer op het commerciële vlak. En waar dat normaal bij velen reden zou zijn om te botsen heeft dat bij ons al die jaren wonderwel in een diepe vriendschap en samenwerking geresulteerd.
Ontelbaar zijn de ideeën waarmee hij soms afkwam. Bizar, origineel, vergezocht, gedurfd of zot. De meesten ervan heeft hij precies daarom ook  koppig gerealiseerd. Denk maar aan de straatportretten van zijn buren, zijn doeken vanuit  de onderaardse catacomben van Palermo waar hij 1 jaar lang ondergedoken met de kloosterlingen leefde en schilderde, zijn succesvolle toneelvoorstellingen met Kultuurdaad (vervoer van duizenden naar Knokke met de bus wegens gebrek aan een valabele toneelzaal in Eeklo). En ons begin 2009 uitgebracht kaartspel met 54 olieverfportretten van bekende Meetjeslanders waaraan hij meer dan 1 jaar heeft gewerkt. Daartussen ook zijn eigen zelfportret: voor ons nog steeds het  best geslaagde van het geheel (zie boven). Nogmaals een bewijs van zijn talent en vakmanschap.  In de geschiedenis van Taptoe en parallel in dat van Eeklo een zeldzaam getalenteerd heerschap wiens werk en persoonlijkheid  “letterlijk” in ons collectief geheugen gegrift zal blijven. 
Piet De Baets

Overgenomen (met welwillende toelating van de redactie) uit “De kleren van De Keyzer”, de tweewekelijkse column van Laurens De Keyzer in dagblad De Standaard, verschenen op 10 oktober ll. naar aanleiding van het overlijden van Patrick Ysebaert

Toen ik hem donderdagmiddag voor de laatste keer verliet en traag naar mijn auto stapte, die enkele straten verder stond, scheen het me een eeuwigheid dat de wereld veranderd was. Maar toen ik geen seconde later een vogel hoorde en opkeek, naar de huizen en de bomen, zag ik dat de wereld niet veranderd was. Ook de mensen niet. Ik herkende er een paar, ze stonden van voordeur naar voordeur met mekaar te kletsen. In het voorbijgaan hoorde ik wat ze zeiden. Ze zeiden dat er toch wel mooier weer beloofd was op tv, en zie, straks dreigde het nog te gaan regenen ook. Regende het maar, dacht ik. Maar de hemel bleef grijs en bewoog niet.
Had ik daarnet nog iets kunnen doen? vroeg ik me af. Had ik nog iets kunnen zeggen? De dag voordien hadden we het met woorden gezegd. En al stonden zijn ogen toen zo droef, zijn mond glimlachte. De volgende dag schoten alleen letters over op papier, en tranen, wreed en prachtig waren ze. Alles was gezegd.
Enkele weken geleden had hij gevraagd of ik iets wilde schrijven, een afscheidsgroet, iets voor op zijn doodsprent. ‘Heb je iets geschreven?’ vroeg hij toen ik hem woensdag kwam omhelzen.
‘Wil je het lezen?’ Hij knikte. Ik zei: ‘Ik breng het je morgen. Maar het zal lastig zijn.’
‘Voor u of voor mij?’ vroeg hij. ‘Voor u. Want ik schrijf over een dode, in de verleden tijd. Dat zal lastig zijn.’
‘Breng het maar’, zei hij. ‘En ik ga je nu je favoriete whisky geven, single malt, Glenfiddich, twaalf jaar gerijpt, waar is de tijd.’
Hij bedoelde: waar is de tijd dat we daar samen van genoten. Die tijd was nog maar pas geleden, maar die tijd was voorbij. Ik dronk nu alleen. Ik dronk er twee.
‘Gij wordt ook nooit ziek’, zei hij. Ik zei: ‘Toch wel, er is iets eigenaardigs aan de hand met mijn rechteroog. Alsof het een beetje dichtslibt.’ Mijn beide ogen wil ik weggeven, dacht ik, als hem dat helpen kon. Maar dat zei ik hem niet, want het sprookje was uit. 
Toen ik naar huis vertrok, stroomde er iets vrolijks in mij. Een beetje door de whisky, allicht, maar vooral omdat ik hem de volgende dag zou weerzien.
Die donderdag zag zijn mooie kop er oneindig treurig uit. Hij was zo bleek geworden, mijn vriend, onder zijn vel kleurde het glazige perkament van de dood. Tegen zijn buik, die weg was, hing de morfinepomp, als de spons met azijn die Jezus aan het kruis kreeg toen hij dorst had. Maar dat zei ik hem niet.
De verpleger kwam. Toen hij weg was, zei Patrick: ‘Mag ik je woorden lezen?’
Ik gaf ze hem. Hij las, en hij huilde, en ik wist niet wat te doen. ‘Het is zo prachtig’, zei hij – en ik zei: ‘Dat was niet moeilijk met u.’
‘Alsof je dat in één geut hebt geschreven’, weende hij – en ik zei: ‘Dat was niet moeilijk met u.’ Zijn vrouw huilde in zijn schoot, hij streelde haar haren, hij keek in mijn ogen en hij zei: ‘Ik ben doodmoe.’
Zo namen we afscheid. We namen elkaar vast zoals alleen mannen elkaar vastnemen, vaders hun zonen, vrienden elkaar. ‘Als ik dood ben, brengen ze mijn lijf naar de wetenschap’, zei hij. ‘Waarom?’ vroeg ik, al wist ik het wel. ‘Ach’, zei hij, ‘buikvlieskanker is zo zeldzaam en zo dodelijk dat het zonde zou zijn om de ziekte met mij te begraven. Misschien leren ze nog wat van mij. Misschien helpt dat ooit een ander.’
Die avond las ik in een boek dat ik een jaar of twee geleden geschreven had. Interviews met mannen na de vijftig. Hij was de laatste. Niet alleen alfabetisch, als Ysebaert, ook omdat hij de laatste was van wie ik zo’n portret wilde maken. Hij zei toen: ‘(…) Ik denk niet dat we veranderen als we ouder worden. Wel duwen we in het beste geval andere schakelaars in, schakelaars die in vroegere levensjaren nog verborgen zaten en die je langzamerhand en vooral bewuster vertrouwd maken met je eigen einde. Mensen die het geluk hebben om min of meer gezond ouder te worden, ervaren dat de natuur haar tijd neemt om je voor te bereiden. Als je hormonen op je twintigste je verstand lamleggen, dan word je in het leven gegooid, de dood bestaat dan niet. Maar als diezelfde hormonen op je zestigste af en toe het signaal geven dat het welletjes is geweest, dan zegt je verstand je wel hoe laat het is.’
Elk jaar weer haalde hij zijn tijd in op mij. Dat troostte mij. Op 19 december werd hij dan zo oud als ik op 16 juli geworden was. Straks haalt hij me niet meer in. Terwijl ik dit schrijf, weet ik dat hij morgen sterft. En als u dit leest, weet dan dat hij gisteren gestorven is. 
Vaarwel, grote vriend.

Laurens De Keyzer