Geen Lars Boom of Zdenek Stybar op de Parkcross volgende week woensdag 3 februari. Deze 2 wereldkampioenen van 2008, 2010, 2011 en 2014 hebben het veldrijden al een tijdje op een lager pitje gezet, omdat ze alles op hun loopbaan op de weg willen zetten. Stybars ploegleider Wilfried Peeters kondigde vorig jaar zelfs aan dat zijn poulain deze winter helemaal niet zou crossen om “fris en uitgerust” aan de start van het wegseizoen te kunnen komen. 

Stybar besliste uiteindelijk alleen de cyclocross van Essen te rijden “omdat hij een eventuele zege in de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix  niet op het spel wil zetten” (zie kader). 
Maar als je weet dat Roger De Vlaeminck zijn hele loopbaan lang veld en weg combineerde en tussendoor nog wat zesdaagsen meepikte. Als je beseft hoeveel hij daarbij won, tussendoor 1 x wereld- en 3 x Belgisch kampioen werd,  ook  enkele zesdaagsen won, naast tientallen klassiekers, waaronder 4 x Parijs-Roubaix, 6 x Tirreno-Adriatico, 3x Milaan-San Remo, 22 etappes in de Ronde van Italië en 1 x De Ronde van Vlaanderen: waarover maakt Stybar (2x WK cyclocross en enkele ritten in Rondes) zich dan druk?
Taptoe vroeg zich af of Roger De Vlaeminck er dan misschien een wonderlijke trainingsmethode op nahield om dat allemaal vol te houden? Iets zo bovennatuurlijks moeilijk dat zelfs Stybar en consoorten er in de winter liever de brui aan geven om hun wegseizoen niet in gevaar te brengen?
We nodigden Roger uit in zijn lievelingsrestaurant ‘De Warande’ in St. Jan-in-Eremo en kregen in ruil een leerrijk en verhelderend tafelgesprek.

Crossen als beste voorbereiding
De Vlaeminck (vol ongeloof): “ Allez, kom aan, heeft Stybar dat echt gezegd? Moest ik zijn ploegleider zijn, hij moest tien, zelfs twintig crossen rijden ! Wij presteerden een heel seizoen lang op hoog niveau. Die veldritten en pistezeges kwamen er voor mij tijdens de winter alleen als pure en beste voorbereiding op het wegseizoen. Ik heb ooit de Italiaanse voorjaarsklassieker Sassari-Cagliari over 250 kilometer gewonnen, alleen op conditie, gekweekt  in het veld. Stybar zou beter meer crossen rijden. Maar dan zou hij na het WK Veldrijden wel moeten rusten van mij, voor hij de weg op gaat.”
Taptoe: “Rustte Mister Parijs-Roubaix dan nooit tijdens de winter? 
De Vlaeminck:  “Toch wel. Na de Ronde van Lombardije (begin oktober) ging de fiets een maand aan de haak, kwestie van het hoofd helemaal leeg te maken. Maar ik lag niet stil, hé. Ik bleef mijn conditie onderhouden en ging lopen in de Lembeekse bossen, met kinesist Georges Debbaut als coach. Opwarmen, interval, uithouding, en dat vanaf 6 uur ‘s morgens. Soms kroop hij op mijn rug en dan moest ik hem door de modder 100 meter ver dragen. Dat alles zorgde ervoor dat je hart getraind bleef. Maar ik moest die fiets wel een maand kwijt. Pas daarna begon ik crossen te rijden. Altijd tien, soms vijftien, soms meer tijdens een winterseizoen. Wat doen ze nù in november en december? Een paar uur in de regen gaan trainen? Dan kan je zowel crossen rijden, je wordt er nog (goed) voor betaald ook. 

Goed betaald
Roger geeft toe dat er voor hem ook meestal een financieel aspect meespeelde in het winterseizoen.  
De Vlaeminck: “Op een winter kreeg ik eens, terwijl ik eigenlijk aan het rusten was, een telefoontje van de organisatoren in Rillaar. Die zochten een tegenstander voor Roland Liboton. Ik weigerde, maar ze belden terug: ik mocht vragen wat ik wilde. Ik weigerde weer. Tot ze nog eens terugbelden: ze boden mij 140.000 frank (3.500 euro), toen waarlijk een bedrag waar je echt geen neen kon tegen zeggen. Ik reed die cross zonder veel training, en won die nog bovendien. “Ook al had ik altijd een goed contract, die startgelden en dat prijzengeld waren aardig meegenomen. We hadden immers maar vijftien jaar om iets te verdienen. En pas op, ik behaalde die zeges in het veld allemaal zonder zonnebril, hé, en zonder camper, maar wel met een wollen trui die snel tien kilo woog van de modder”.
De Vlaeminck reed wel liever in het veld dan op de piste. 
“Die piste was veel ongezonder. Er mocht toen nog gerookt worden in de wielerbanen. Na een tijdje zag je geen hand meer voor je ogen, kreeg je tranen in de ogen en nog amper zuurstof binnen”.

“In mijn zetel, ja”
De vele winter- en voorjaarsstages die veldrijders nu inbouwen tijdens het crossseizoen, bij voorkeur op een of ander Spaans eiland, vinden geen genade in de ogen van Roger. 
“Hoe rijden ze daar eigenlijk rond, op Mallorca? Met de handen losjes bovenop het stuur?  Waarvoor is dat allemaal nodig? Als het hier goed weer is, rij dan enkele uren achter de brommer en als het regent, oefen in de bossen. Daar in Spanje trainen ze ook alleen maar op de (rechte) weg en dat zorgt voor verlies aan stuurvaardigheid. Ik wisselde veld en weg af: het ene voor de stuurvastheid, de weg voor de snelheid. En met succes achteraf gezien.”
Taptoe: “Waarom durven bijna geen renners nog de combinatie veld-weg aan, zoals Lars Boom en Stybar? 
De Vlaeminck (op dreef): “Het probleem is dat er geen polyvalente renners meer zijn. Het is voor hen het veld óf de weg. Maar vertel mij eens, wat hebben die Stybar en Boom eigenlijk al gewonnen op de weg? De laatste die polyvalent was, was Frank Vandenbroucke. Als die wou, was hij onklopbaar. Die kon echt alles, met zijn talent en klasse. 
“Maar tussen haakjes: ik heb het ook lastig met het aantal ‘koersdagen’ dat de huidige generatie beroepsrenners minutieus bijhoudt. Ik reed elk jaar zo’n 110 wedstrijden op de weg en 10 tot 15 in het veld en zoals je weet soms ook nog enkele wedstrijden op de piste. Het enige wat ik daarvoor deed, was twee keer op een seizoen de fiets tien dagen aan de kant zetten. Om het hoofd eens leeg te maken, maar ook dan bleef ik de conditie voortdurend onderhouden, door te lopen of te turnen, bij Georges zaliger, de kinesist van AZ Alma. Fitness noemt dat nu, de factor lenigheid die  door veel renners onderschat wordt. Vertel mij eens, hoeveel beroepsrenners zouden er nog zijn, die met het platte van hun hand met gestrekte benen aan de grond geraken? Hoe leniger je bent, hoe minder snel je valt en als je dan toch valt, zal je minder snel kwetsuren oplopen. Als nu de eerste van het peloton valt, zal de laatste van het peloton er gegarandeerd ook nog over heen rollen…”

Zelf gaat Roger nog amper naar de cross kijken. “Wat ziet ge nog? Neen, dan zit ik liever in mijnen zetel voor tv te kijken”. 
Maar sporten is er wel nog altijd bij. “Ik ga, zodra het daglicht is, nog vier keer per week lopen in de Lembeekse bossen. Naargelang het weer, vier tot zes kilometer, mét hartslagmeter en gemiddeld 12 per uur”, knipoogt de wielerkampioen.

Rogers pronostiek voor het komende WK 
Zondag 31 januari wordt in Zolder opnieuw het wereldkampioenschap cyclocross gereden. We vroegen Roger naar zijn pronostiek. Voor alle duidelijkheid, het was toen 14 januari, net na het Belgisch Kampioenschap. 
De Vlaeminck: “Op 1 zet ik Matthieu Van der Poel. Die heeft volgens mij toch iets meer uithouding en weerstand en is iets meer wegrenner dan Van Aert die ik op twee zet. Wout is een klasbak en die twee zijn jongens die het ook op de weg ver kunnen brengen. En op 3? Sven Nys zeker? Wie kan er anders derde worden?”

Piet De Baets

foto: Roger De Vlaeminck was zowel op de weg als in het veld in zijn sas. Op het parcours van Parijs-Roubaix was hij schier onklopbaar.